Artikel 1 - Begripsbepalingen

Lid 1

In deze cao wordt verstaan onder:

  1. Cao-loon: het bedrag dat vermeld staat in de loonschalen, of het bedrag dat daarvan is afgeleid op grond van de bepalingen over loonsverhogingen, leeftijd, functiegroep en functieschaal.
  2. Feitelijk loon: het cao-loon, of het hoger overeengekomen loon, of het naar tijdruimte vastgestelde loon.
  3. Persoonlijke toeslag: het verschil tussen het hoger overeengekomen loon en het cao-loon.
  4. Weekloon: het feitelijk loon dat hoort bij een normale arbeidstijd van 38 uur per week.
  5. Maandloon: het weekloon vermenigvuldigd met 52,2 en dan vervolgens gedeeld door 12.
  6. Uurloon: 1/38 deel van het feitelijk loon per week of 1/165,3 deel van het feitelijk loon per maand.
  7. Pensioengevend loon:
    Hiertoe worden alleen de componenten gerekend die arbeidstijd gerelateerd zijn. Tot het pensioengevend loon behoren:
    • alle bruto loonbestanddelen welke arbeidstijd gerelateerd zijn;
    • de vaste jaarlijkse toeslagen en uitkeringen.
    Hiertoe worden gerekend:
    1. het feitelijk loon uit de huidige arbeidsovereenkomst;
    2. overuren/meeruren/onaangename uren inclusief inconveniententoeslag en ploegentoeslag;
    3. 13e maand;
    4. structurele eindejaarsuitkering;
    5. vakantietoeslag;
    6. uitbetaalde verlof- en atv-dagen, reisuren (niet zijnde reiskosten);
    7. prestatietoeslag op het uurloon;
    8. tijdelijke toeslag werken in een hogere functie;
    9. tijdelijke toeslag vakkennis;
    10. persoonlijke toeslagen;
    11. consignatievergoeding / bereikbaarheidsvergoeding
  8. Uitzendkracht: de natuurlijke persoon die via een uitzendbureau wordt uitgezonden om werkzaamheden te verrichten onder de feitelijke leiding van de werkgever zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub c.
  9. Uitzendbureau: de natuurlijke of rechtspersoon die een werknemer, zoals bedoeld onder h. uitzendt naar de werkgever. Dit kan ook een handmatig loonbedrijf, detacheringbureau of andere derde zijn.
  10. Volwassen werknemer: de werknemer van 21 jaar en ouder.
  11. Jeugdige werknemer: de werknemer van 20 jaar en jonger.
  12. Meeruren: de uren die gewerkt worden boven de normale arbeidstijd als bedoeld in Artikel 22 Lid 2 en die op basis van een verschuiving van arbeidstijd (Artikel 24) schriftelijk zijn vastgelegd.
  13. Vergoedingen: waar in deze cao wordt gesproken over vergoedingen, zijn dit bruto vergoedingen. Afhankelijk van het fiscale klimaat op een bepaald moment kunnen deze vergoedingen wellicht netto verstrekt worden. Voor concrete vragen over vergoedingen kunt u terecht bij een van de cao-partijen.
  14. Etmaal: een periode van 24 uur.
  15. BBL: beroepsbegeleidende leerweg.
  16. WML: wettelijk minimumloon.
  17. Werknemer die behoort tot de doelgroep van de Participatiewet:
    werknemer met een WSW-indicatie en Wajonger met arbeidsvermogen van wie is vastgesteld dat hij vanwege een arbeidsbeperking niet in staat is met voltijdse arbeid 100 % van het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen.
  18. Inlenersbeloning: de rechtens geldende beloning van de werknemer in dienst van de opdrachtgever, werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie als de uitzendkracht. De inlenersbeloning bestaat uit:
    • Het geldende periodeloon in de schaal;
    • De van toepassing zijnde arbeidstijdverkorting per week/maand/jaar/ periode. Deze kan - dit ter keuze van de uitzendonderneming - gecompenseerd worden in tijd en/of geld;
    • Toeslagen voor overwerk, verschoven uren, onregelmatigheid (waaronder feestdagentoeslag) en ploegentoeslag;
    • Initiële loonsverhoging;
    • Kostenvergoeding;
    • Periodieken.
  19. BBL-leerling: de werknemer die in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg de beroepspraktijkvorming volgt en een arbeidsovereenkomst heeft.
  20. Diplomatoeslag: toeslag ter hoogte van het verschil in beloning tussen het loon dat de werknemer heeft ontvangen gedurende zijn opleiding en het loon conform Artikel 43 Lid 1.
  21. Dienst: Aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht en die gelegen is tussen twee opeenvolgende onafgebroken rusttijden van ten minste 8 uur.
  22. Werkgever:
    De natuurlijke persoon of rechtspersoon, zoals bedoeld in Artikel 2 Lid 1 c.
  23. Werknemer:
    De natuurlijke persoon zoals bedoeld in Artikel 2 Lid 1 d.

Lid 2

Voor de berekening van het recht op vakantiedagen (HOOFDSTUK 8 §1 )
gelden de volgende begrippen:

  1. Maand: een periode van 15 kalenderdagen of langer.
  2. Werkdag: een dag – van maandag tot en met vrijdag – waarop de werknemer volgens het normale arbeidsrooster geheel of gedeeltelijk zou werken.